donderdag 13 augustus 2020

In de voetsporen van de Romeinen (Limespad: Katwijk - Leiden - Bodegraven)

Een nieuw pad, dichter bij huis dan het Elfstedenpad: het Limespad. Dit lange afstandswandelpad volgt de Romeinse grens van tweeduizend jaar geleden, van Katwijk aan zee tot Berg en Dal bij Nijmegen, of eventueel verder door Duitsland. ‘Limes’ betekent grens of pad. De Romeinen wilden de Germanen overwinnen en trokken daarom naar het noorden op, maar de pogingen bleven steken langs de Rijn. Het pad volgt dan ook grotendeels de loop van de Rijn, waar de Romeinen legerkampen en nederzettingen aanlegden. Langs de route zijn op verschillende plaatsen resten of reconstructies te zien. Een fascinerend pad. De Romeinen komen tot leven.

In januari starten we in Katwijk op het strand. In de Romeinse tijd heette Katwijk Lugdunum Batavorum. Lang is gedacht dat met die naam Leiden werd bedoeld, ten onrechte. Aan het begin van de route staat een bronzen kunstwerk van Nicolas Dings, Brittenburg genaamd, waarop soldaten van keizer Caligula staan afgebeeld. Langs de kerk en door een mooi opgeknapt oud visserswijkje lopen we naar Katwijk a/d Rijn. Langs de Oude Rijn passeren we Valkenburg en lopen naar het noorden, richting Oegstgeest. Dit is het gebied waar Jan Wolkers in zijn jeugd graag rondstruinde. Hier ontstond zijn liefde voor de natuur met alle kleine planten en beestjes. Hij beschrijft dat in verschillende van zijn boeken.

We pauzeren op het landgoed Oud-Poelgeest, dat in de zeventiende eeuw eigendom was van hoogleraar Boerhaave. Hij was onder meer arts, rector magnificus van de Leidse Universiteit en directeur van de hortus botanicus. Poelgeest is prachtig opgeknapt. In de gang hangt een enorme foto van Jan Wolkers met het beeld dat hij het ‘tillenbeest’ noemde. Er stonden er twee van in Oud-Poelgeest, aan weerszijden van een schouw, en Jan nam er eentje mee. Pas na zijn dood is het beeld teruggevonden, vertelt een personeelslid van het restaurant.

Vanaf Oud-Poelgeest komen we Leiden binnen langs het LUMC, waar een standbeeld van Boerhaave staat. Het pad voert door de historische binnenstad. We besluiten de wandeling in het Rijksmuseum van Oudheden, waar een grote afdeling met Romeinse vondsten is. Er is onder meer een wassen reconstructie te zien van het gezicht van Julius Caesar. Fascinerend om die man in de ogen te kijken. Op school besteedden wij vele uren aan het vertalen van zijn boek over de oorlog tegen de Galliërs, ‘De bello gallico’.

In maart lopen we verder op het Limespad. Deze keer heeft een andere beroemdheid de hoofdrol, Rembrandt. We komen langs de plaats waar zijn geboortehuis stond. Interessant om te zien, net na het lezen van de biografie van de jonge Rembrandt door Onno Blom, die eerder een geweldige biografie van Jan Wolkers schreef.

Via de Lammebrug lopen we Leiden aan de zuidkant uit. Onder de A4 door komen we door Zoeterwoude-dorp, van waar we naar het westen lopen in de richting van Hazerswoude-Rijndijk. Door de weilanden en langs molens arriveren we in Alphen aan de Rijn.




In augustus pakken we in Alphen aan de Rijn de draad weer op. Hier loopt een prachtig pad langs de Oude Rijn. Het loopt achter de huizen langs, die vaak mooi aangelegde tuinen hebben en steigers aan het water, af en toe een zwemtrap. Als we een brug zijn overgestoken lopen we per ongeluk naar het noorden in plaats van verder naar het oosten. In plaats van het Aarkanaal steken we de Oude Rijn over. We komen er pas achter als we een meer aan de linkerkant passeren, de Zegerplas. Jammer. Maar als we op de snelste manier van A naar B zouden willen, zouden we niet wandelen. We lopen dezelfde weg terug tot we weer bij de Steektebrug over het Aarkanaal komen. Nu volgen we de juiste route, langs de Kortsteekterweg.

Na een paar kilometer zien we aan de overkant van de rivier Zwammerdam liggen, in de Romeinse tijd Nigrum Pullum genaamd. Hier zijn in de jaren zeventig zes Romeinse eikenhouten schepen gevonden. Drie kano’s en drie platbodems, waarvan de grootste meer dan 30 meter lang was. Onderzoek wees uit dat een van de schepen een van de oudste Romeinse rivierschepen gevonden in West-Europa is. Het hout is van bomen die gekapt zijn in de tweede eeuw na het begin van onze jaartelling.  

Zwammerdam is een mooi plaatsje, maar er is weinig meer te doen. Veel grote panden in het centrum staan te koop. We steken de Oude Rijn over en vervolgens gaan we onder het spoor door. Door de weilanden lopen we naar Bodegraven. Het gras staat vol wilde bloemen in wit, geel, roze en paars. Het is een prachtig gebied, groen en rustig. Dit stuk door het Groene Hart loopt het pad af en toe samen met het Pelgrimspad.

In Zwammerdam strijken we neer op het terras van een cafetaria. Twee wandelaars vertrekken daar net, zij lopen ook het Limespad. Even later komt een groep van zes mensen aan die ook het Limespad lopen. We komen niet vaak zoveel medewandelaars tegen.

Via de Warmoeskade lopen we Bodegraven binnen. Ook hier zijn veel Romeinse resten gevonden, waaronder in 1995 een groot castellum dat nog niet helemaal onderzocht is. Bodegraven is verder de bakermat van Andrélon. Oprichter kapper André de Jong noemde zijn bedrijf naar de kapsalon van zijn vader, die dezelfde voornaam had: ‘André’s kapsalon’. We besluiten onze wandeldag op het zonnige terras van Brouwcafé de Molen.

 

 

dinsdag 28 juli 2020

Langs de Zuiderzee (Elfstedenpad: Stavoren - Workum - Bolsward)

De hoogste tijd om weer eens verder te lopen op het Elfstedenpad. De laatste keer was in november vorig jaar. Dit voorjaar kwam het er niet van door ziekte en coronamaatregelen; meer dan een rondje in de buurt zat er niet in. Heerlijk dus om weer in de trein te stappen, zij het met mondkapje op.

Onze etappe begint in Stavoren, maar Hindeloopen is zo'n prachtig stadje dat we daar naar toe reizen om te overnachten.
Onze kamer in de Stadsboerderij heeft klassiek beschilderd Hindeloopens meubilair. Ik neem snel een kijkje in het Schaatsmuseum dat om de hoek ligt.

We lopen door het schilderachtige stadje. Hindeloopen was vroeger een belangrijke stad waar handel werd gedreven op de Oostzee. Nu is het rustig. Smalle straten, veel bruggetjes, fraai gerestaureerde kapiteinshuizen. Aan de kant van het water en de haven zijn veel toeristen. In de stad zelf is het veel stiller.

We eten buiten op een terras, met uitzicht op een beeld van Vrouwe Justitia dat aan de gevel van het naburige pand is bevestigd. Vroeger waren in dit gebouw het stadhuis, het gerecht en de gevangenis gevestigd.

De volgende ochtend gaan we verder op het pad. We reizen per trein naar Stavoren, waar het pad langs de voormalige Zuiderzee loopt. Het is schitterend weer, zonnig en niet te warm, perfect om te wandelen.
Halverwege Stavoren en Hindeloopen, bij Molkwerum, zien we een groepje paarden dat in het water wordt geleid. 'Aquajogging', zegt de begeleider. Goed voor de spieren. Even later zien we een platbodem varen met bruine en witte zeilen.

Zo'n soort boot ligt ook bij de kade bij de Stadsboerderij in Hindeloopen, waar we halverwege de dag weer even neerstrijken. Het Elfstedenpad loopt door het stadje. We verlaten het op dezelfde manier als we dat vanmorgen deden, over een houten loopbrug.

Het pad volgt nog een stukje de Zuiderzeedijk en buigt dan landinwaarts af. We lopen grotendeels over grasdijken die vol met schapen liggen. Als je doorloopt, blijven ze liggen maar als je ze probeert aan te raken, springen ze op het laatste moment op en gaan er op een holletje vandoor. Vooral de lammetjes zijn nieuwsgierig, maar durven toch niet te blijven staan. Heel af en toe lukt het zo'n vettig vachtje aan te raken.

 In de loop van de middag arriveren we in Workum. Net zo'n mooi oud stadje als Hindeloopen, wat minder toeristisch. Er zijn wat meer 'normale' winkels, zo te zien. We zijn nog op tijd om het Jopie Huismanmuseum te bezoeken, het museum van de autodidact die vooral oude spullen schilderde. Veel over gehoord, nu eindelijk gezien. Vooral een schilderij van een verstelde gebreide lange onderbroek maakt indruk. Hyperrealistisch. 'Ik brei met verf', zei Jopie daarover.

We hebben er ongeveer 18 kilometer opzitten en voelen dat wel. Omdat het zo lang geleden is dat we wat langere afstanden liepen.

In Workum logeren we in Op de hoek van de stal, in de hoofdstraat. Het is een negentiende eeuwse stolpboerderij op een historische plek, bij de ingang van het stadje en aan de Zuiderzee. 's Avonds eten we buiten, op een van de terrassen op het plein bij de reusachtige kerk.

Na een heerlijk ontbijt in de voormalige stal beneden vertrekken we de volgende ochtend niet al te vroeg voor de tweede etappe dit weekend: van Workum naar Bolsward. Na een rondje door de oude stad lopen we via een zestiende eeuws kerkepad Workum uit. Stad en platteland grenzen hier scherp aan elkaar. Achterom kijkend hebben we een fraai uitzicht op de kerk van Workum.

Ook vandaag lopen we veel over grasdijken. We passeren een paar mooie kerken, zoals in Ferwoude. Het mooiste dorp is Allingawier, dat ook het Friese Museumdorp wordt genoemd. Een oud terpdorp ten oosten van Makkum, waar een paar gebouwtjes zijn ingericht zoals vroeger. We pauzeren op het terras van It Ferhaal, dat binnen sfeervol is ingericht met oude balken en blauw geverfde muren.


Het staat vol zomerbloemen: klaver, boterbloemen, blauwe distel, koekoeksbloem en veel meer. In de steden staat het vol stokrozen in alle kleuren.

Via Exmorra arriveren we in Bolsward. Het openbaar vervoer rijdt hier niet frequent, zeker niet op zondag, dus we haasten ons voor de bus. De terugreis duurt drieëneenhalf uur. Ver reizen, maar dan heb je ook wat. Wat een geweldige provincie, en wat een prachtig pad. De wegen zijn soms heel recht - deze twee dagen trouwens niet, het is lekker lopen over die grasdijken, maar de elf steden maken alles goed.









zaterdag 18 april 2020

Groene longen (Clingendael, april 2020)



Lange wandelingen zijn er voorlopig niet bij. Een ommetje in de buurt, dat is het. Nu kan je het een stuk slechter treffen dan in Den Haag, groene stad achter de duinen. Den Haag heeft vele groene ‘longen’: bossen, parken en oude landgoederen die voor rust en frisse lucht zorgen.
Wat ben ik blij dat ik vlakbij Clingendael woon. In deze tijd van restricties meer dan ooit. De lente is losgebarsten. Het groen brult de grond en de bomen uit. Bosanemonen, hyacinten en narcissen volgen elkaar op. Sommige rododendrons hebben al bloemen. Binnenkort zullen de azalea’s in felle kleuren gaan bloeien.

Het landgoed bestaat al sinds de zestiende eeuw, toen er alleen nog een boerderij stond. Het grote witte huis, waar nu Instituut Clingendael is gevestigd, werd eind zeventiende eeuw gebouwd in opdracht van Philips Doubleth III. De familie Van Brienen van de Groote Lindt verwierf het landgoed in 1739. De familie woonde er in de zomer. ’s Winters woonde men in het stadshuis aan het Lange Voorhout, het pand waar nu Hotel Des Indes is.

De laatste barones Van Brienen, Marguerite Marie (1871-1939), werd Freule Daisy genoemd. Zij was gek op Engeland en reisde daar vaak naartoe. Zij woonde in het grote huis met haar hondjes. Achter het huis, onder een grote boom, is een klein hondenkerkhof voor degenen die haar ontvielen.

Wie graag in het voorjaar naar de Japanse tuin gaat kijken, kan haar dankbaar zijn, want zij is degene die de tuin heeft gemaakt. Zij interesseerde zich voor de Japanse tuincultuur en had contact met Japanse diplomaten in Den Haag. Ornamenten voor de tuin kocht de barones in Japan, waar zij per schip naar toe reisde. Ik ben benieuwd of we eind deze maand de tuin kunnen bezoeken. Na de persconferentie van volgende week dinsdag, 21 april, weten we meer.

Een uitgebreid artikel over Marguerite Marie en haar Japanse tuin is te vinden in The Netherlands - Japan Review (2011): ‘Historical notes on the Japanese garden at Clingendael, The Hague, Holland Part II : Baroness Van Brienen’s Japanese garden The development of a flowery Japonaiserie into a subdued moss garden’ door T.A.J.M. Van der Eb-Brongersma.


zondag 10 november 2019

Woudsend en verder (Elfstedenpad: Woudsend - Balk; Laaksum - Stavoren; Balk - Laaksum)


Vrijdag nemen we de trein van twaalf uur naar het Noorden om weer een stuk op het Elfstedenpad te lopen. Aan het eind van de middag arriveren we met de bus in Woudsend, waar we de vorige keer geëindigd zijn en dat toen op ons zo’n indruk maakte. Het valt ook deze keer niet tegen. Een juweel van een dorp met een mooi oud centrum. Op verschillende panden hangt een oude foto met bijschrift over de geschiedenis ervan, verzorgd door de historische vereniging. Vroeger een dorp vol bedrijvigheid, nu is het vooral in de zomermaanden druk vanwege de watersport. 

We wandelen door het dorp, passeren verschillende keren de Midstrjitte die dwars door het dorp loopt en kijken naar de gerestaureerde oude panden en naar de jachthaven. We borrelen in een kleine schuilkerk uit de achttiende eeuw, ’t Ponkje, genoemd naar de zwarte zak aan een stok die tijdens kerkdiensten rond ging voor de collectes. De kerk is verbouwd tot restaurant met behoud van originele details, zoals een paar kerkbanken. Ook ’t ponkje is er nog, het staat tegen de muur.

In de avondschemering lopen we nog een keer naar de voormalige Katholieke kerk aan het water, van waar je een prachtig uitzicht hebt. We lopen terug naar de andere kant van de kade aan de Ie, naar Omke Jan, vlak bij de houtzaagmolen. Sinds we dit in mei zagen, hebben we ons erop verheugd om hier te eten en te logeren. Een oude boerderij aan het water, schitterend verbouwd onder leiding van Piet Hein Eek. Beneden restaurant, boven kamers. M neemt runderstoofvlees, ik geroosterde pompoen. Heerlijk.

De volgende ochtend krijgen we een uitstekend ontbijt aan een tafel waarvan het blad bestaat uit twee enorme planken, gezaagd door de houtzaagmolen aan de overkant, en waar Piet Hein Eek stoelen bij heeft gemaakt. Na een laatste blik op de grote open keuken middenin het restaurant, waar een geurige runderbouillon aan het ontstaan is in een pan die, naar bedrijfsleider Jarno ons vertelt, sinds gisterenavond op het fornuis staat, het ruikt verrukkelijk - gaan we op pad.

Het weer is bij vertrek redelijk, maar in de loop van de dag krijgen we nogal wat motregen. We lopen via Ypecolsga, een gehucht, naar het zuiden. Langs het Slotermeer komen we in het dorp Balk. Via de Wyckelerdijk, waar we later op de dag zullen terugkeren omdat wij hier logeren, gaan we naar Wyckel, een oud plaatsje met een kerk in het midden. Ten zuiden van Wyckel komt het pad bij de Ie en voert ons naar het noorden, naar de oude vestingstad Sloten. Na Leeuwarden, Sneek en IJlst is dit de vierde stad van de elf die we aandoen. Een kleine stad met bolwerken, een molen en oude grachtenpanden. We pauzeren er voor een kop soep.

Vanaf Sloten passeren we nog een keer, nu vanaf de andere kant, Wyckel. Bij Ruigahuizen eindigen we onze etappe en lopen we naar het noorden, terug naar de Wyckelerdijk in Balk waar we logeren in ‘De Kopse kant’, het laatste huis van het dorp Balk, een adres via Vrienden op de fiets. We lopen terug naar het centrum van Balk en eten bij Teernstra, een gezellig restaurant. Het zit op deze zaterdagavond helemaal vol, net als het café ernaast.

De volgende ochtend genieten we van het uitzicht vanuit onze logeerkamer over de velden. De ochtendzon verlicht de hemel lichtroze en oranje. Na een heerlijk ontbijt aan de tafel die voor het raam staat, is onze gastvrouw zo vriendelijk ons met de auto naar Laaksum te brengen. Want ons oorspronkelijke plan vandaag tot Laaksum te lopen strandt op het ontbreken van openbaar vervoer op zondag. We rijden door het Gaasterland, een landschap met bossen en heuvels, opgestuwd door ijsmassa’s in de laatste ijstijd. Her en der liggen reusachtige keien, ook door het ijs gebracht.

Laaksum heeft een piepklein haventje aan het IJsselmeer. Sinds de Zuiderzee is afgesloten valt er niet veel meer te vissen. Het pad loopt langs het IJsselmeer en volgt hetzelfde traject als een ander wandelpad, het Zuiderzeepad. De kust ziet er uit als die van een zee, met golfbrekers en kleine zandstrandjes. Vergeleken met de Noordzeekust is het hier een oase van rust.
In de verte zien we Stavoren liggen, de vijfde stad van het Elfstedenpad en ons eindpunt van vandaag. Het schijnt de oudste stad van Nederland te zijn, want de stadsrechten ontstonden al in de elfde eeuw. Vroeger een belangrijke Hanzestad, tot de haven verzandde in de Middeleeuwen. Volgens de legende is dat de schuld van de Vrouwe van Stavoren. Zij had een van haar schippers opdracht gegeven haar de kostbaarste handelswaar te brengen die hij kon vinden. Toen hij terugkwam met een scheepslading graan en niet goud, dat zij gewild had, werd zij woedend en beval hem de lading in de zee te storten. Daarmee riep zij een vloek over Stavoren af. In de haven staat een klein bronzen beeldje van de Vrouwe van Stavoren.


Een paar maanden later reizen wij weer naar het verre Friesland om het nog ontbrekende stukje op deze etappe te lopen: Balk - Laaksum. In november hebben we dat noodgedwongen overgeslagen omdat er op zondag geen openbaar vervoer is.
Op een zaterdag begin februari 2020 starten wij in Balk en lopen via Ruigahuizen naar het haventje van Laaksum, van waar wij vorige keer naar Stavoren liepen. Het is een afstand van plm 24 kilometer. Helaas gaat het regenen en hard waaien, net als wij langs de IJsselmeerdijk lopen. Gelukkig komen we precies op tijd aan voor het busje in Laaksum, dat eens in het uur gaat. In Stavoren nemen we direct de trein terug, want de weersvoorspellingen zijn slecht. Volgende keer verder. 

maandag 12 augustus 2019

Texel (Waddenwandelen)

WaddenWandelen is een streekpad dat over alle Waddeneilanden voert. Na Schiermonnikoog, Ameland, Terschelling en Vlieland is het tijd voor het grootste Waddeneiland: Texel. We nemen zondagmiddag de boot in Den Helder. Op dit eiland ben je veel sneller dan op de andere Waddeneilanden. We reizen per bus naar De Koog en nemen onze intrek in hotel Zeerust om van daar uit drie dagen te lopen. Als het goed is, zijn we dan het eiland rond. Het is een comfortabel hotel, goed gelegen, net buiten gehoorafstand van de drukke dorpsstraat van De Koog en pal aan de wandelroute.


Maandag 12 augustus nemen we tijdig de bus terug naar de veerhaven, waar het pad begint. We lopen aan de linkeroever van de Mokbaai, waar in de achttiende eeuw schepen voor anker gingen. Als de wind gunstig stond, vertrokken ze van hieruit naar het verre Oosten. Het is een soort mini-Waddenzee die deels droog valt bij laag water. Hier ook die prachtige felgroene kleuren langs het water.

Langs het pad staan volop bloemen, bessen en rozenbottels. Ook zijn op sommige plekken de bramen al rijp. Texel doet zijn naam als schapeneiland eer aan, want we komen er veel tegen.

Door de duinen lopen we naar het strand, waar we uitkomen bij paal 8. Bij strandtent Paal 9, die ooit is weggeslagen door de zee en nu herbouwd is ter hoogte van paal 10, drinken we koffie. Tussen paal 11 en 12 verlaten we het strand en lopen door een stukje bos en duingebied, de Westerduinen.

Bij paal 16 gaan we het strand weer op. Hier is een surfschool. Het waait behoorlijk en de golven zijn hoog. Via de duinen wandelen we even later terug naar De Koog.

De dorpsstraat in De Koog is een toeristisch straatje met veel horeca en winkeltjes. Het bezoek bestaat vooral uit Duitse gezinnen. Wij vinden al snel een prettig terras, Eigewijs!, waar we deze dagen meerdere keren zullen zitten.

De volgende ochtend, dinsdag 13 augustus, lopen we vanuit de Koog verder naar het noorden langs de Westkust van het eiland. Een fazant, niet de eerste die we vandaag zullen zien, gaat ons voor op het pad. Hier in de duinen volop kamperfoelie, soms met bloemen, soms met bessen, en plukken paars bloeiende hei.

Halverwege de ochtend een kort maar hevig buitje. We schuilen onder een groepje bomen.

Dan wandelen we langs het beroemde natuurreservaat De Slufter. Een wetland-achtig gebied dat in open verbinding staat met de zee. Het zoute water zorgt voor bijzondere bloemen en planten. Het staat vol lamsoor, dat in paarse bloei staat. Ook is er volop zeekraal, niet alleen in het natuurgebied zelf, waar je niet kunt komen, maar ook langs en op het pad langs De Slufter. We genieten van de zoute zeekraal, afgewisseld met zoete bramen. Verder zien we zeealsem en zeeraket. Wat een uitzonderlijk mooi gebied is dit. Ik begin dit grote eiland, waarvan we ons eerst afvroegen of het ons wel het eilandgevoel van de andere, kleinere, waddeneilanden zou bieden, steeds meer te waarderen.

Bij paal 29 gaan we het strand op. Aan het begin van de strandovergang staat een houten wegwijzer, die kunstzinnig is bekleed met wat er zoal aanspoelt: knalblauwe vissersnetten, oranje werkhandschoenen, boeien, stukken touw. Zo wordt wat lelijk is, mooi.

Het waait nog steeds behoorlijk. Op het immens brede strand wordt gekitesurfd en ook zijn er kite-buggies, lichte karretjes die door kites worden voortbewogen. Vandaag gaat dat in vliegende vaart.

In de verte zien we de rode vuurtoren liggen. Door de Eierlandsche Duinen lopen we richting De Cocksdorp, ons eindpunt vandaag. Veel bloeiende planten. Ook al paddenstoelen, ik zie een paar parelbovisten.

Over een hoge grasdijk gaan we verder. Ook hier weer veel schapen, die zich - anders dan we op Schiermonnikoog gewend zijn - laten aanraken.

In De Cocksdorp, een kleiner en minder toeristisch dorp dan De Koog, gaan we de Waddenkerk aan het begin van de dorpsstraat in. Bijzonder is dat delen van het interieur afkomstig zijn van een kerk die ooit aan het Haagse Noordeinde stond. Veel meer dan de dorpsstraat, die eindigt met een andere kerk, is hier niet. We drinken wat op een terras en nemen het busje terug naar De Koog.

We eten in Passie, het restaurant dat bij ons hotel hoort. Heerlijke kreeft, oesters en harder.


De derde wandeldag, woensdag 14 augustus, reizen we per bus terug naar De Cocksdorp waar we ons pad weer oppakken. We lopen nu aan de oostelijke kant van het eiland naar het zuiden. De route voert ons langs akkers, die aan de randen vol papavers, korenbloemen en andere wilde planten staan. Een schitterend gezicht. Daar tussendoor rijen zonnebloemen, die hun gezichten met de zon meedraaien. Ongetwijfeld werken de boeren hier samen met natuurbeschermers en levert dat dit fraaie resultaat op.

Na ruim zes kilometer steken we het Eierlands kanaal over met een zelfbedieningspontje. Altijd leuk. Aan de overkant gaan we een grasdijk op waar we tussen de schapen doorlopen. De hoge dijk biedt een weids uitzicht over de met bloemen omzoomde akkers.

Bij vogelreservaat Utopia drinken we koffie bij Prins Hendrik, achter de dijk. Daarna lopen wij de dijk op en lopen langs de zee. De lucht begint nu toch wel te betrekken. Als we het dorpje Oost binnenlopen, begint het te regenen. We besluiten door te lopen naar Oosterend, een mooi oud stadje met huizen in een ring rondom de kerk. Deze Maartenskerk, althans het oudste deel ervan, stamt uit de twaalfde eeuw. Al in de Romeinse tijd was hier een dorp.

We lunchen hier en eindigen onze tocht. Volgende keer verder, naar Oudeschild, Den Burg en terug naar de Veerhaven. We zijn niet er niet rouwig om dat we binnenkort nog een keer naar dit mooie eiland gaan.

Twee maanden later, half oktober, gaan we weer naar Texel om onze tocht te hervatten. Vanaf de veerhaven gaan we met de bus naar Oosterend. Helaas treffen we het niet met het weer: stromende regen, de hele dag. Gehuld in fladderende poncho's lopen we naar de kust, naar Nieuweschild dat niet meer dan een gehucht is, en vandaar langs de kust naar het zuiden.