vrijdag 21 april 2017

Sint Servaas (Pelgrimspad II: Schin op Geul - Maastricht)



 Vandaag ronden wij het Pelgrimspad af. We zijn gisteravond al naar Maastricht vertrokken, dus de aanreistijd vandaag naar Schin op Geul is maar een kwartier met de trein. We lopen parallel aan de spoorlijn die door het Geuldal loopt. Af en toe zien wij het riviertje de Geul even aan de linkerkant.

We beklimmen de Schaelsberg, een flinke klim. Op de berg ligt een zeventiende-eeuws kluizenaarshuis, de Kluis, met bijbehorende kapel. Het is uit mergel opgetrokken in opdracht van de heer van Kasteel Schaloen, Graaf Hoen van Cartiels. Hier heerste eenzaamheid en soberheid. Tot 1930 heeft hier een kluizenaar gewoond. De kapel is gewijd aan Sint Rochus, patroonheilige van lijders aan de pest. Nog steeds vindt jaarlijks een bedevaart naar de kapel plaats. Nu niet alleen voor de pest, maar in het algemeen om besmettelijke ziektes af te wenden.

Als we de berg zijn afgedaald, passeren we kasteel Schaloen, waarin nu hotelkamers, appartementen en een horecagelegenheid gevestigd zijn. Het ligt prachtig op een eiland in een brede slotgracht. De oprijlaan is voorzien van leibomen die naar elkaar toe zijn gebogen, zodat poorten zijn ontstaan. Een van de bomen is van binnen hol en lijkt dood, maar schijn bedriegt. Er ontspruiten nieuwe loten uit takken van de boom.

Hier vlakbij liggen nog twee kastelen: Gelhoes en Oud-Valkenburg. Niet verwonderlijk dat men graag in dit mooie glooiende landschap woonde. We passeren verschillende akkers vol aspergebedden en verheugen ons op het witte goud van Limburg.

Door het glooiende landschap met weides van het Gerendal zakken we af richting Scheulder. Het laatste stuk lopen we dwars door de weilanden. We zien de kerk van Scheulder liggen. In het gras liggen koeien, die zich door ons niet laten opschrikken. Het zijn Laura’s, vertelt de boer, een Fries Holstein ras. Behalve een melkveebedrijf met ongeveer 55 Laura’s, die in de zomer dag en nacht buiten leven, zijn hier ook een paar vakantiewoningen: Logeren bij Laura. Alle koeien heten Laura. Elke koe heeft haar eigen nummer.

We drinken koffie in Scheulder en vervolgen onze weg langs de bosrand die de Schiepersberg omzoomt. Als we Cadier en Keer naderen, missen we een pad naar links waardoor we een paar kilometer omlopen. We zien nog een merkwaardige boom: hij heeft een gezichtje. Bij de Zwarteweg pakken we de route weer op. We passeren boeren die takkenbossen in brand steken. Met de tractor wordt het hout omhoog getild, er wordt wat stro onder gelegd, waarna de brand erin gaat. De tractor schudt het hout op zodat er lucht bij kan. Als het goed brandt rijdt de boer de tractor weg, waarna de vlammen hoog oplaaien.

Bij Cadier en Keer begint het stedelijk gebied. Mooie huizen, maar de straten zijn toch niet aantrekkelijk. Via Randwijck lopen we Maastricht binnen. Langs het Mecc voert de route ons naar de Maas. Langs de oever is een laag gelegen pad voor fietsers en wandelaars aangelegd, waarvan niet alleen toeristen maar ook Maastrichtenaren veel gebruik maken. We volgen de oever langs het Bonnefantenmuseum tot de Sint Servaas brug, waar we de rivier oversteken.

Door het centrum van Maastricht lopen we op het Vrijthof af. Daar ligt de heilige Servaas, bisschop van Tongeren en later van Maastricht, overleden in 384. Boven zijn graf is de luisterrijke Sint Servaasbasiliek verrezen. Maastricht is al sinds de vroege middeleeuwen een bedevaartsstad. Het is dan ook een uitgelezen plek als doel van het Pelgrimspad. Wij hebben dat niet uit religieuze overwegingen gelopen, maar krijgen toch wat mee van de sfeer die hier hangt.

We blijven in Maastricht en brengen de volgende ochtend een bezoek aan de Sint Servaasbasiliek. In de schatkamers prijken de rijkdommen van de kerk: relikwieën in ivoren, zilveren en gouden omhulsels, in kleine pakketjes van linnen of zijde, en zelfs in uitgeholde eendeneieren en kokosnoten, voorzien van perkamenten certificaten met lakstempels. Het borstkruis, de bisschopsstaf en de pelgrimsstaf van Servaas, de sleutel waarmee hij net als Petrus de hemelpoort kon openen, portretten van de heilige, een gouden kist waarin zijn gebeente rust, van buiten rijk versierd met bijbelse taferelen en bezet met halfedelstenen, waardoor het Byzantijns aandoet. Verder antieke doeken, rijk geborduurde kazuivels, versierde missalen en andere kerk-attributen.

Het meeste indruk maakt de eenvoudige wit gepleisterde grafkelder van Servaas, die onder de basiliek ligt. De ruimte is afgesloten met een ijzeren hekwerk. De stenen drempel aan het begin, bij de deuropening, is volledig uitgesleten door de duizenden pelgrims die hier voet hebben gezet. Naast de grafkelder ligt een schriftje, waarin bezoekers hun wens mogen schrijven. M. noteert onze wensen. Maandag zullen deze tijdens de mis worden voorgelezen.

We branden kaarsjes en laten Sint Servaas achter ons, voldaan over onze pelgrimstocht. We hebben er een kleine 500 kilometer op zitten, vanaf Amsterdam, en volop genoten van wat natuur en cultuur ons onderweg te bieden hadden. Voor ons geen Sint Jacob in Compostela, maar Sint Servaas in Maastricht.


zaterdag 8 april 2017

Heuvelland (Pelgrimspad II: Spaubeek - Ubachsberg - Schin op Geul)

Na maanden trekken wij vandaag en morgen weer verder op het Pelgrimspad. Op weg naar Spaubeek hebben we pech: er is iets aan de hand met een trein voor ons, waardoor niemand verder kan op dit baanvak. Via een omweg – terug naar Eindhoven, en dan via Venlo, Roermond en Sittard - bereiken we Spaubeek om één uur in plaats van elf uur, zoals gepland. We zetten dus de pas erin en stoppen zo min mogelijk. Weinig tijd voor foto's. 

Het Limburgse landschap wordt steeds glooiender. We passeren diverse kapelletjes, kastelen en vakwerkhuizen. Het gebied is on-Nederlands en doet mij aan Oost-Europa denken.

Via Nuth, Wijnandsrade – waar wij het kasteel rechts laten liggen – passeren wij kasteel Puth en even later kasteel Cortenbach. Van oorsprong middeleeuws, ver- en herbouwd tot in de achttiende eeuw. Beide kastelen zijn in gebruik. Deze grandeur zien wij niet veel bij ons in het westen.

We genieten de hele dag van de mooie natuur. Het laatste stuk biedt ons weidse vergezichten. Tegen zessen arriveren we op ons logeeradres in Ubachsberg. Ondanks het heuvelachtige gebied is onze gemiddelde snelheid vandaag tegen de vijf kilometer.

We slapen in een klassieke Limburgse boerderij met een toegangspoort waarachter een binnenplaats ligt, die is ingericht als tuin. De eigenaren hebben een zeer bijzondere winkel, Ottelien.  Als enigen in Nederland zijn zij helemaal gespecialiseerd in communiekleding. Vooral de jurkjes zijn betoverend. In alle tinten wit, versierd met snoezige bloemetjes, pareltjes, linten en meer. Natuurlijk horen er vestjes bij, en schoentjes en tasjes. De inkoop gebeurt vooral op beurzen in Spanje en Italië.

In de tuin, op het terras achter de winkel, staat een standbeeld van Maria met kind uit de jaren vijftig. Het heeft tot voor kort op het dorpspleintje gestaan, tot het werd vervangen door een wit marmeren Maria, met Aziatische trekken en zonder kind. Een verbetering is dat niet. Het oude beeld is goed terecht gekomen, met zoveel aanloop van kinderen die binnenkort ter communie zullen gaan.

We eten in de monumentale Bernardushoeve in Mingersborg, een dorpje verderop, met een schitterend uitzicht over het heuvellandschap. Heen krijgen wij een lift van onze gastvrouw, terug lopen we een paar kilometer, voornamelijk naar beneden.

Na een ontbijt vertrekken we de volgende ochtend in zuidelijke richting. We passeren Mingersborg en strijken opnieuw neer in de Bernardushoeve, deze keer voor koffie, omdat je daar zo heerlijk over het land uitkijkt. Op het kruispunt tegenover de toegangspoort staat een kapelletje met een Mariabeeld.

Het wordt nu nog heuvelachtiger dan gisteren. Af en toe is het echt klimmen. Via Eyserheide en door de Eyser bossen komen we bij Gulpen, waar we hotel Troisfontaine zien liggen, waar ik ooit heb gelogeerd. We passeren Wijlre, waar we eerst achter de brouwerij van Brand langs lopen en vervolgens een pad nemen dat dwars door de velden gaat. Vanaf hier volgen we de rivier de Geul, die woest door het landschap slingert.

Als we Schin op  Geul naderen lopen we langs een aantal campings. De streek is hier zo mooi dat het niet verwonderlijk is dat er veel toeristen op af komen. In Schin op Geul zit onze tocht voor vandaag erop. Tegenover de kerk is een mooi terras, in de zon. Bij de kerk een plaquette waarop Schin op Geul samen vermeld staat met Ljubljana, waar ik twee weken geleden toevallig was, na vele jaren. Een bijzonder toeval. 

zaterdag 25 maart 2017

Sveti Peter


In de Karawanken, bij het Sloveense stadje Begunje, ligt op 839 meter hoogte een kleine witte kerk. Zestiende-eeuws, gewijd aan Petrus: Sveti Peter. Grofweg een halve eeuw geleden kwam ik hier voor het eerst. Er is sindsdien maar weinig veranderd. De boerderij die iets onder het kerkje ligt ziet er nog hetzelfde uit. Voor het huis nog steeds de lange houten bank en de tafel. Zelfs de zwarte keuken is er nog, alleen is er een moderne keuken bij gemaakt. In de stal staan een koe en een ezel. 

De dochter des huizes woont hier nu alleen. Haar ouders zijn lang geleden overleden en haar kinderen zijn het huis uit. Haar leven lang liep zij iedere ochtend de berg af en iedere middag de berg weer op. Om naar school te gaan, en later om naar de schoenenzaak te gaan waar zij werkte. Vooral in de winter was dat moeilijk, soms zelfs onmogelijk.  Nu is zij zestig jaar, en met pensioen. Iedere dag geniet zij van haar prachtige omgeving. Ze fotografeert de bloemen die hier groeien en schrijft gedichten. De boodschappen haalt zij tegenwoordig met de auto. Dat is een van de veranderingen: deze plek is per auto bereikbaar geworden. Het is dan ook drukker dan vroeger.

Mijn zusje  F. en ik bezoeken de plek waar wij de zomers van onze jeugd doorbrachten. Het is een hartverwarmend weerzien met onze ‘summersister’ R. en haar ouders, die nu hoogbejaard zijn, maar het goed hebben met elkaar in het heerlijke Radovljica. Vrijdag na aankomst maken we een stadswandeling door Ljubljana, waarbij we ook de burcht beklimmen. Zondag beklimmen we de burcht van Bled. In de paar dagen die we in Slovenië doorbrengen, slagen wij erin alle plekken van vroeger op te zoeken.

Op zaterdag staat de tocht naar Sveti Peter op het programma, de jaarlijkse wandeltraditie uit onze jeugd. We rijden met R.’s auto naar Begunje, waar we bij het restaurant koffie drinken. We zien Sveti Peter in de verte liggen, hoog. Het lijkt dichtbij. We weten dat dat iedere keer zo leek en altijd tegenviel. Maar we weten ook dat we de tocht nu heel wat sneller zullen doen dan vroeger, toen het een soort dagtocht was.

Langs de rand van het dorp lopen we omhoog, door de velden en door het bos. Het pad is omzoomd door bloemen. Veel paars, een soort gele primula’s, een groene bloem met een geel hart die we nog nooit hebben gezien, en kerstroos (helleborus) in wit, geel en roze. Het is voor het eerst dat we hier zo vroeg in het jaar zijn. Deze voorjaarspracht is een verrassing.

Het pad gaat vrij steil omhoog. De tocht is ruim 5 km, met een kleine 400 meter stijging. Na ongeveer een uur over het slingerende bospad zien we een grote steen liggen: dé steen, waar wij vroeger altijd pauzeerden. Was je bij de steen, dan kreeg je een boterham, en dan was je er bijna. Ook dat is hetzelfde als vroeger. We eten een meegebrachte boterham en pauzeren even. Eerst op de steen, voor de foto, maar daarna op het nieuwe bankje dat hier staat.

Korte tijd later eindigt het bos. Hier staat nog steeds het kleine kapelletje met een hangende Jezus aan het kruis. Aan het eind van het glooiende grasveld zien we Sveti Peter in de zon liggen. Bovengekomen gaan we zitten op de bank voor de boerderij. De bewoonster, die wij als kind ieder jaar ontmoetten, herkent ons direct. Ze serveert ons een heerlijke kop thee, van door haar zelf geplukte en gedroogde planten, en een snee zelfgebakken brood met honing uit de streek.

Dan lopen we naar boven, naar het kerkje. Met de enorme ijzeren sleutel, die wij ook van vroeger kennen, maakt ze de deur open. Binnen is niets veranderd. De stille ruimte met het gewelfde plafond, de muren bedekt met middeleeuwse fresco’s, het barokke achttiende-eeuwse altaar. 

Als je de fresco’s van dichtbij bekijkt zie je dat mensen hun naam in de muur gekrast hebben. Graffiti is van alle tijden. F. en ik weten beiden feilloos de plek te vinden waar de oudste inscriptie is. Die heeft onze vader lang geleden gezocht en gevonden. Iemand heeft in 1612 zijn naam in de muur gekrast. Voor ons op borsthoogte. De geschiedenis komt dichtbij, in meerdere opzichten. Wij voelen ons net zo klein als die middeleeuwer als volwassene was.

zaterdag 11 maart 2017

's-Gravelandse buitenplaatsen


Villa Blanda 1906
Vandaag reizen M. en ik naar het Gooi voor een wandeling van Natuurmonumenten langs ’s-Gravelandse buitenplaatsen. Een bijzondere tocht, want hij voert langs de roots van mijn grootmoeder en die wil ik graag ontdekken. We starten bij het bezoekerscentrum. Hier kan ik direct in Grootjes voetsporen stappen, door lid te worden van de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten. Grootje werd in haar jonge jaren lid van deze eerbiedwaardige vereniging, opgericht in 1906. In dat jaar werd ook Villa Blanda opgeleverd, die haar vader had laten bouwen aan de ’s-Gravelandseweg in Hilversum. Grootjes lidmaatschap voor het leven kostte toen Fl. 25,-. Voor mij kost het jaarlijkse lidmaatschap een rijksdaalder meer, en dan in Euro’s. 
Capitool

We lopen langs landhuis Boekesteyn en vervolgens langs Schaep en Burgh. In dit zeventiende eeuwse huis is nu het hoofdkantoor van Natuurmonumenten gevestigd. Hier hebben de portretten van Marten Soolmans en Oopjen Coppit gehangen, die nu in het Rijksmuseum zijn. Rembrandt schilderde het stel in 1634. Begin vorige eeuw waren ze in bezit van Anna van Winter en Willem van Loon, die de winters in Amsterdam doorbrachten en de zomers op Schaep en Burgh. Elke zomer verhuisden de portretten mee met de trekschuit. Verderop op het landgoed staat een klein gebouwtje, voorzien van Ionische zuilen die van steen lijken, maar van hout zijn gemaakt. Het gebouwtje herbergde de biljartkamer. Later werd van hieruit het televisieprogramma Het Capitool uitgezonden, en weer later het radioprogramma Vara’s Vroege Vogels.
Jagtlust

Het is prachtig weer. Alle vogels zingen. Hoewel de bomen nog niet uitlopen hangt de lente duidelijk in de lucht. Het is hier in deze parkachtige omgeving drukker dan wij gewend zijn op de meer afgelegen Lange Afstands Wandelpaden. Keurig Goois publiek. We lopen langs Bantam en Hilvarenbeek naar Land en Bosch. Grootje is geboren in Nijmegen en verhuisde – voor zover ik nu weet, en ik weet nog lang niet genoeg – korte tijd later naar Villa Wilgenhof, die hier vlakbij gestaan heeft. Het adres was Leeuwenlaan 304. De villa is later gekraakt en in 1992 gesloopt. Nu staat er een appartementencomplex met huisnummers o.a. 24. Op Land en Bosch is een biologische-dynamische tuinderij gevestigd. Helaas is de bijbehorende horecagelegenheid nog gesloten, ondanks het mooie weer vandaag. We kopen crackers in de winkel, die gelukkig wel open is.

Gooilust
Na een blokje rond Jagtlust, dat zo te zien particulier bewoond wordt, buigen wij naar het Zuiden, richting Gooilust. Hier heeft voormalig bewoner Blaauw een bos aangelegd met bijzondere bomen, zoals de parasolden en de door mij verfoeide slangenden. De emaillen bordjes zitten nog op de bomen gespijkerd. Ook hield Blaauw, naar de mode van die tijd, exotische dieren zoals gnoes. Zijn echtgenote Louise Six, die eigenares was van het landgoed, was hier fel op tegen. Toen ze in 1934 overleed liet ze het landgoed niet aan haar man na, maar aan Natuurmonumenten. We werpen een blik in de siertuin die bij het landgoed hoort en lopen door de Rhodendronvallei terug naar het Noorden. 

Villa Blanda 2017
Via het Corversbos verlaten we de route om de ‘s -Gravelandseweg op te zoeken. Villa Blanda is niet moeilijk te vinden. Nu is Van Lanschot Bankiers er gevestigd, die het grondig restaureerde in 2007. Het ziet er exact zo uit als op de oude foto. Zo komt de geschiedenis dichtbij.

zaterdag 25 februari 2017

De Pier

Op deze frisse maar zonnige zaterdag maken wij een wandeling door Meijendel. Bij Wassenaar gaan wij het strand op en lopen terug naar Scheveningen. Er staat een harde wind en er zijn maar weinig wandelaars. Er is veel aangespoeld op het strand: grote mosselachtige schelpen, zeesterren, kleine blauwe schelpen, netten, plastic afval, stukken hout en meer.

We lopen de Pier op, die de laatste jaren vrij toegankelijk is. Vroeger was hier een kassa, waar ik in de zomer van 1978 een paar weken kassadame was. We lopen naar het restaurant op het achterste gedeelte van de Pier, van waar het uitzicht specatulair is. Na een tosti lopen we via het Westbroekpark terug.