zondag 14 oktober 2018

Helden (Drenthepad: Borger - Valthe - Sleen - Gees)

Zelden hebben we zo'n mooi herfstweekend meegemaakt. De zon schijnt. Het is meer dan twintig graden. Zomerse temperaturen en herfstige uitzichten. Zorgelijk, want dit weer lijkt niet te kloppen. Ik ben blij dat het Haagse Hof onlangs in hoger beroep de Stichting Urgenda in het gelijk heeft gesteld. Wat de toekomst ons brengen zal is onzeker. Wij genieten nu maar gewoon van dit schitterende weekend.


We starten in Borger, waar we de vorige keer het Hunebedcentrum hebben bezocht. Vandaar lopen we door het Buinerveld naar Boswachterij Exloo, waar de zon prachtig door de kaarsrechte naaldbomen schijnt. Midden in het bos ligt een hunebed. Een van de vele die we op het Drenthepad tegenkomen. Het blijft indrukwekkend. Mysterieus ook, want hoe ze gebouwd werden is inmiddels duidelijk - je hoeft er geen reus voor te zijn- maar verder is er weinig over bekend.

Het ruikt lekker herfstig. Tussen het mos, dat de bodem van het bos bedekt, inclusief omgevallen oude bomen en stronken, steken paddenstoelen de kop op. Na het dorp Exloo steken we het Molenveld over, een weidse heidevlakte die wordt begraasd door een schaapskudde uit Exloo. Vandaag zijn de schapen er helaas niet.

Herfsttijd, oogsttijd. Vlakbij Valthe zien we hoe de aardappels gerooid worden. Even verderop hangen de bomen vol rijpe appels. We logeren in Valthe bij Hunebed met brood. Pal aan de route.

In het dorp is weinig te doen, dus we gaan eten in Odoorn, een paar kilometer verderop. Omdat we er inmiddels meer dan twintig kilometer op hebben zitten, voelen we weinig voor nog een wandeling, maar gelukkig leent de vriendelijke eigenares van de B&B ons fietsen.

In Odoorn gaan we naar restaurant Boshof, pal naast de kerk. Er is een huwelijksdiner, maar wij kunnen aan een tafel in het cafégedeelte eten. Heerlijke biefstuk.

Na een heerlijk ontbijt gaan we weer op pad. Opnieuw een zonovergoten, warme dag. We lopen het Valtherbos in, waar twee hunebedden naast elkaar liggen op een open plek in het bos.

Iets verder naar het zuiden passeren we het zgn Onderduikershol, een hol in de grond waar een groep joodse onderduikers de Tweede Wereldoorlog heeft overleefd. Ze werden geholpen door Bertus Zefat, een kippenboer uit Valthe, met een aantal andere Valthenaren. Het hol is 8 bij 4 meter en ongeveer anderhalve meter diep. De wanden zijn bekleed met dennenstammetjes en op het dak stonden dennebomen. De groep zat eerst ondergedoken in een schuur van Zefat. Toen dat te gevaarlijk werd, is dit hol gebouwd, in december 1942. Vlakbij staat een grote beukenboom, die de onderduikers gebruikten als uitkijkpost.

De Duitsers hebben dit onderduikhol nooit ontdekt. Alle onderduikers hebben de oorlog overleefd. Toen de groep werd verraden, is een ander hol gebouwd, iets verderop in het bos. Dit tweede hol is niet meer te zien. Het eerste is in 2004 gereconstrueerd. De gedenksteen staat hier al sinds 1984. Jaarlijks vindt op 4 mei een dodenherdenking plaats op deze plek in het bos.

Mensen van de Zefat-groep kwamen elke dag eten en drinken brengen. Ze wisten hun sporen zorgvuldig uit. Omdat ze in de winter bij sneeuw niet konden komen, groeven de onderduikers een waterput. Ook die put is nu gereconstrueerd.

Een van de onderduikers, Ab van Dien, schreef later een boek over zijn ervaringen. Een citaat:
'En toen kwam die woensdagmorgen, die morgen waarop Bertus voor de zoveelste maal bewees een held te zijn. Een verzorger, die zijn leven in de weegschaal stede voor allen die hem waren toevertrouwd. 'Weg lui, weg! Vanmorgen heeft Olt Pieter het aangegeven. Op naar het nieuw uitgegraven gat en daar afwachten.' Een week later wisten we op welk wonderbaarlijke wijze we waren ontsnapt, dankzij twee Valther agenten.'

Bertus Zefat werd opgepakt. Waar de onderduikers zaten, heeft hij niet verteld. Hij moet veel doorstaan hebben. Op 27 juli 1944 namen de Duitsers hem mee naar zijn huis, waar zijn vrouw en kinderen waren. Daar is hij doodgeschoten.

Helden, Bertus Zefat, de andere leden van de groep en de onderduikers. Ik bedenk hoe het moet zijn geweest om hier jaren te leven, in het bos, en dat doet me denken aan Jos B., de man die is opgepakt als verdachte in de zaak Nicky Verstappen, het jongetje dat in 1988, elf jaar oud, vermoord op de hei in Limburg is gevonden. Jos B. leefde jaren onopgemerkt in het bos, weg van de bewoonde wereld. Toen hij werd opgepakt, was hij door de Vogezen aan het trekken. Peter R. de Vries heeft de zaak twintig jaar lang niet losgelaten. Als een terriër. Ook hij is een held. Eindelijk krijgt hij waardering van politie en justitie voor wat hij heeft gedaan. Van nabestaanden en publiek van zijn uitzendingen had hij dat al volop.

Na het Valtherbos met zijn veelbewogen geschiedenis arriveren we in Emmen, waar we op een zonovergoten terras wat eten. Dan weer verder naar het zuiden, langs akkers en velden, onder meer vol Afrikaantjes. We passeren een groepje piepkleine pony's in een wei, het lijken wel speelgoeddiertjes.

Na het passeren van Havezathe de Klencke, nu particulier bewoond, lopen we langs velden naar Sleen, een fraai dorp met Saksische boerderijen. We borrelen en eten in restaurant De Deel in de Menso Altingstraat, vrijwel aan de route en schuin tegenover onze B&B De Schoenlapper, gevestigd in de oude boerderij waar vroeger de schoenlapper woonde. Die is er niet meer, maar verder heeft Sleen genoeg voorzieningen. Een aantrekkelijk dorp met een mooie kerk in het centrum. De Deel is niet alleen restaurant, maar ook theater. Er is hier genoeg te doen.

We krijgen ook in deze B&B een heerlijk ontbijt en vervolgen onze weg, tot Gees. Onderweg passeren we een tafel met prachtige sierkalebassen. Ik neem er een paar mee, we hoeven toch niet meer ver te lopen. Dat zouden we wel willen, maar op zondag rijdt hier bedroevend weinig openbaar vervoer. In Gees gaat elke twee uur een bus, verderop vandaag helemaal niet.

Aan het eind van de ochtend arriveren we in Gees, ruim op tijd voor de bus. Gees heeft, net als Sleen, mooie Saksische boerderijen. Het is een kilometer of twaalf van Sleen. Hier nemen wij de bus naar het station, waarna wij aan het eind van de middag thuis arriveren.

zondag 7 oktober 2018

Beukennootjes

Wat een schitterende zondag. De kleuren in het park zijn adembenemend mooi. De paden zijn bezaaid met beukennootjes en eikels.

Als ik langs een beukenboom vlakbij een sloot loop, bijna bij Oosterbeek, hoor ik een merkwaardig geluid. Het klinkt als harde regen, met grote druppels. Maar dat kan helemaal niet. De lucht is schitterend blauw en de zon schijnt. Dan zie ik het: het regent beukennootjes uit de boom, in een gestage stroom, zonder zelfs een zuchtje wind. Merkwaardig. Onder de boom liggen de beukennootjes centimeters dik. Ik raap een handvol nootjes en peuzel ze op. Net als vroeger.

De springbalsemien knalt volop. Als je even bij een groepje struiken staat, zie je de zaaddozen openspringen. Ze staan ook nog flink in bloei. Net orchideeën.

Binnenkort gaat de Japanse tuin nog een keer open. Ter gelegenheid daarvan blijft de theeschenkerij ook nog even open. Ik verheug me op nog wat meer van deze prachtige nazomerdagen.

Bij de vijver bij het huis, waar nu Instituut Clingendael in zit, staat een boom waarvan de bladeren felrood verkleuren. Het gras is met de veelkleurige bladeren bezaaid. Deze mooie warme herfstdagen combineren de kleuren van de herfst met de temperaturen van de zomer. Het gras is nog zo groen als in de zomer en in het rosarium bloeien de rozen alsof het juni is.




vrijdag 14 september 2018

Sint Servaas, Maastricht

Wandel.nl, het magazine van de KWBN (Koninklijke Wandel Bond Nederland), publiceerde in editie 4 (september 2018) mijn verslag als lezersverhaal.

'Sint Servaas, Maastricht': de afsluiting van het Pelgrimspad, van Amsterdam naar Maastricht. Lees het verhaal hier.

Natuurlijk staan alle etappes, van Amsterdam tot Maastricht, ook op dit blog.

zondag 9 september 2018

Aan zee: Schiermonnikoog


Zodra we in Lauwersoog aan boord gaan, begint het vakantiegevoel. Drie kwartier later zetten wij voet op Schiermonnikoog. Zondag, kwart over één. Veel mensen vertrekken nu van het eiland, weinigen komen aan, zoals wij. Wij hebben het nog voor de boeg.

Eerst was regen voorspeld voor deze dagen, maar naarmate de dag van vertrek naderde veranderde dat. Als wij aankomen is het goed weer, droog en niet te koud. 

Later op de dag breekt de zon door. Ook maandag hebben wij schitterend weer. Dinsdag wordt het pas onstuimig, met harde wind en regen. De ochtend van ons vertrek.

We huren een tandem en fietsen zondagmiddag het hele eiland rond. Langs de rode vuurtoren, die nog als vuurtoren in gebruik is, en langs de witte, die er verwaarloosd uitziet. Afgelopen zomer logeerden wij vlakbij de vuurtoren van Haamstede, die die weken in de steigers werd gezet. De steigerbouwers vertelden dat de witte vuurtoren van Schiermonnikoog het volgende project zou zijn. De witte vuurtoren kan wel een opknapbeurt gebruiken. 

Bij de Kobbeduinen parkeren wij de fiets en lopen wij de duinen in. Het ziet er al herfstig uit. Rode rozenbottels, oranje bessen aan de duindoorns. De bladeren beginnen hier en daar te vallen.

De wolken worden prachtig beschenen door de zon. Toch kun je de weidsheid van het landschap, het gevoel dat dat geeft, niet met een foto vastleggen. Hoe mooi sommige foto’s die ik met mijn telefoon maak ook worden, nooit is het beeld zo mooi als de werkelijkheid. De zee, de lucht en het licht zijn niet te vangen in een camera. Ik laat het op me inwerken en pak maar heel af en toe de telefoon omdat ik het toch niet kan laten.

Kort geleden bekeek ik de schilderijen van Domburgse schilders, gemaakt aan de Walcherse kust, onlangs tentoongesteld in de het gemeentemuseum (‘Aan zee’). Daar hingen onder meer ‘Zeegezicht’ van Mondriaan en ‘Zoutelande’ van Hart Nibbrig. Tegelijkertijd was daar een expositie van schilders ‘De Haagse school op Scheveningen’. Daar hingen o.a. ‘Strandgezicht’ van Weissenbruch, en ‘Schemering’ en ‘Ondergaande zon bij Scheveningen’ van Mesdag. Prachtige schilderijen, die de zee en de luchten daarboven vangen zoals een foto dat nooit kan doen. Dat komt wellicht, schrijft Stine Jensen in een column in het bij ‘Aan zee’ verschenen gelijknamige magazine, omdat de schilders de werkelijkheid abstraheren. ‘Niet de werkelijkheid zelf, maar de (esthetische) ervaring, beleving en interpretatie daarvan wordt weergegeven. Die ervaring is subjectief, maar krijgt in zijn abstractie een universele betekenis.’  Jensen vindt dat mooi, schrijft ze, en ik ben het van harte met haar eens.

Maandag fietsen we naar de Marlijn, aan de noordkust, en daar lopen we het strand op naar het oosten. Over het brede, witte zand. Het is eb. Na een paar kilometer steken we de eerste duinenrij over en lopen terug naar het westen tussen de eerste en de tweede duinenrij, over het Waterstaatpad. Hier is het groen, er staan allerlei soorten grassen en bloeiende planten. Roze, wit en geel.

We eindigen onze wandeling bij de Marlijn, waar we lunchen. De Berkenplas bleek op maandag gesloten.

We fietsen nog wat verder over het eiland, en dan is het tijd voor de borrel bij het Oude Boothuis, naast Hotel van der Werff. We eten vanavond vroeg en we fietsen om half acht naar de Jachthaven waar we een schitterend uitzicht hebben op de avondlucht. De zon gaat nu al onder om iets over acht. Omdat het bewolkt is, kleurt de lucht maar een klein beetje. We fietsen via een omweg terug naar het dorp, door de schemering. Een bijzondere ervaring. We deden dit niet eerder, maar het is voor herhaling vatbaar. Zo stil als het hier nu is, maak je het niet vaak mee.

Dat valt hier altijd op: zo druk als het soms in het dorp kan zijn, zo rustig is het als je even het dorp uitloopt of – fietst. Dat geldt ’s avonds helemaal. De lamp op de fiets hebben we nodig om wat te kunnen zien, niet zozeer om gezien te worden, want er is hier verder niemand. Dit is een van de weinige plekken waar het ’s nachts nog helemaal donker wordt. En helemaal stil.
 



dinsdag 28 augustus 2018

Mooie stad


We besluiten vanaf de stad - het centrum van Den Haag- terug naar huis te lopen. Onze wandeling begint op het Binnenhof. Het centrum van de politiek, al eeuwenlang. Nu is de Eerste Kamer er nog gevestigd. De Ridderzaal is in de dertiende eeuw gebouwd, als onderdeel van een kastelencomplex van de Graven van Holland. Een imposant gebouw. Ik loop hier graag en ben altijd een beetje verbaasd dat dat hier zomaar kan. Vandaag lopen er bewapende beveiligers rond. Meestal niet.

We verlaten het Binnenhof door de Mauritspoort, gebouwd in de zeventiende eeuw en genoemd naar het erachter gelegen Mauritshuis. Rechts van de poort schijnt de zon op een hoog trapgeveltje. Als we de poort gepasseerd hebben, werpen we een blik naar links, op het torentje van de minister-president. Een mooiere werkplek kan ik niet bedenken. 

Dan steken we het Plein over dat er zo schitterend uitziet sinds de auto’s in de ondergrondse parkeergarage staan. Er staan grote bakken bloemen.

O, o, Den Haag, mooie stad achter de duinen…’ Ja. Dat is het, en dat blijft het. 













zondag 19 augustus 2018

Hunebedden (Zuidlaren – Gieten – Borger)


In alle vroegte reizen we per trein en bus naar Zuidlaren, het Drentse dorp dat bekend is door de paardenmarkt en natuurlijk door Berend Botje, die uit varen ging. Naar verluidt ging het hier om de zeeheld Lodewijk van Heiden, die niet uit Zuidlaren wegvoer, maar in Rusland, in dienst van de tsaar.
Het is even zoeken naar de zuidkant van de Brink, waar we langs een synagoge lopen met een gedenkteken voor de mensen die hier zijn weggevoerd. 

We verlaten Zuidlaren in zuidelijke richting en lopen over het terrein van psychiatrische inrichting Dennenoord, waar jonge herten geiten en schapen met kippen in een wei staan. Grootouders komen met hun kleinkinderen de dieren voeren.

Bij Schipborg komen we de Drentse Aa tegen. Hier is een geweldig terras, pal aan het water. Op dit punt kruist het Drenthepad het Pieterpad. M en ik hebben hier beiden al eerder gezeten.
Het is perfect wandelweer: droog, licht hoewel niet steeds zonnig, en een goede temperatuur. Je ziet dat de zomer alweer op zijn einde begin te lopen. De bramen zijn hier en daar al rijp.

We lopen over een stuk hei waar we een schaapskudde passeren. Dan lopen we langs een hunebed, gevolgd door duidelijk zichtbare grafheuvels. Het is de D8, waarbij de D voor Drenthe staat. Hunebedden zijn graven, gebouwd van keien die na de ijstijd uit Scandinavië hier naar toe zijn gegleden Ze komen voor in Drenthe en Groningen. Er zijn er in totaal nog 54. Ze zijn gebouwd tussen 3400 en 3100 voor Christus, onvoorstelbaar lang geleden. Er werd nog niet geschreven, dus helaas is er weinig over bekend. Aangenomen wordt dat de reusachtige keien werden vervoerd en gestapeld door ze over boomstammen te rollen. Daar hoef je geen reus voor te zijn, zoals vroeger werd gedacht.

Na een uur of anderhalf over zandpaden langs akkers arriveren we in Anloo. Hier wordt vandaag de jaarlijkse zeventiende-eeuwse jaarmarkt gehouden. Aan het begin van de Kerkbrink, waar ons pad overheen voert, moet iedereen entree betalen. De opbrengst van dit festijn is bestemd voor de restauratie van de Middeleeuwse kerk, die middenin het dorp staat. In de kerk wordt een rechtszitting nagespeeld. De belangstelling is groot en de rij bij de ingang is lang. Daar nemen we de tijd niet voor, maar we lopen wel een rondje over de Kerkbrink, waar we ons helemaal in vroeger tijden wanen. Iedereen is verkleed, behalve natuurlijk de toeristen die hierop af komen. Een paar mannen maken op het grasveld voor de kerk muziek, waarop vrouwen dansen. De hoefsmid beslaat een paard. Een paar vrouwen zitten achter een spinnewiel, een ander is wol aan het vilten. Er zijn alleen producten te koop die er in de zeventiende eeuw ook waren. Dus wel roggebrood met kaas, gerookte paling en makreel, bier en wijn, maar geen koffie, frisdrank of hamburgers.

Vroeger was hier een gerecht dat de Etstoel heette. Het gerecht bestond uit de Drost en 24 Etten. In strafzaken werd recht gesproken door de Drost en zes Etten, en dat is wat er ook vandaag gebeurt. De zaak die wordt nagespeeld is gebaseerd op waargebeurde feiten en omstandigheden.

Anloo noemt zichzelf op zijn website het leukste dorp van Nederland. Of dat zo is, kan ik niet beoordelen, maar een leuk dorp is het zeker. Zoals veel dorpen in Drenthe, is onze ervaring En die zeventiende-eeuwse jaarmarkt is een prachtig feest.
We vervolgen onze weg naar het zuiden. Inmiddels zijn we op de Hondsrug aangeland, de grens tussen het Drents Plateau en het dal van de Hunze. Bij Landgoed Terborgh passeren we weer een hunebed, D11. Ook hier liggen grafheuvels vlakbij.

Iets boven Gieten ligt een prachtig stil meer met kleine strandjes. Hadden we hier meer tijd, dan zou het aan de oever goed toeven zijn. Vlakbij is een camping met zwembad, het zwanenmeer.

In Gieten overnachten we bij Vrienden op de fiets. Op advies van onze gastvrouw eten we bij Jimm’s, op de hoek van de Brink en de Stationsstraat, en dat bevalt ons goed.

De volgende morgen vertrekken wij bijtijds richting Gasselte. We volgen het traject van de voormalige spoorweg, jammer genoeg al sinds de jaren zeventig niet meer in gebruik. Reizen per trein is een stuk sneller en confortabeler dan per bus.

Ten zuiden van Gasselte ligt een prachtig natuurgebied, het Drouwenerzand. Dat zal oorspronkelijk wel een zandverstuiving zijn geweest, maar nu staat het vol met hei. Die begint hier en daar te bloeien. Sommige stukken hei zijn door de langdurige droogte verkleurd. Gek genoeg ziet het er niet onaantrekkelijk uit, het paars-roze van de bloeiende hei met het oranje van de verdroogde struiken, tegen een achtergrond van het diep donkergroen van naaldbomen. Je kunt je hier makkelijk in de steentijd wanen.

Bij Bronneger liggen drie hunebedden naast elkaar, en vlak in de buurt nog eens twee (nrs D 21 t/m D25). Indrukwekkend en mysterieus. Ik wil er graag meer van weten, en gelukkig is bij het volgende dorp, Borger, een groot hunebedcentrum. Hier ligt het grootste hunebed van allemaal, D27. Het is 21 meter lang. Daarnaast is een informatiecentrum verrezen met onder meer een park waar boerderijen uit vroegere eeuwen zijn gereconstrueerd. Mensen gekleed in kleding uit die tijd geven er tekst en uitleg. Er zijn drie boerderijen: uit de steentijd, uit de bronstijd en uit de ijzertijd. De oudste boerderij, die uit de steentijd van 5000 jaar geleden, lijkt al behoorlijk op een boerderij uit onze tijd. Een lang rieten dak, lage zijmuren. De boerderijen werden parallel aan de windrichting neergezet, zodat de rook door de gaten in het dak aan beide lange zijden kan verdwijnen. Boven het vuur werd een huid gespannen zodat eventuele vonken op die huid doofden en niet het rieten dak in lichterlaaie zetten – hoewel dat natuurlijk toch regelmatig gebeurde. De muren werden van leem gemaakt.  

In het hunebedcentrum staat ook een reconstructie van een hunebed, waar je kunt zien dat een hunebed oorspronkelijk helemaal dicht was. Tussen de grote keien werden kleinere geplaatst, zodat een grafkamer ontstond. Het hunebed werd bedekt met aarde zodat alleen de bovenkant van de dekstenen zichtbaar was. Als je in het gereconstrueerde hunebed stapt zie je dat de wanden en het plafond recht zijn. De bollere kanten van de stenen zijn naar buiten gericht.
De eerste die onderzoek deed naar de hunebedden was Titia Brongersma, in 1685. Degene die er in die tijd een afbeelding van hunebed D27 maakte, met Titia verkleed als Griekse godin op de voorgrond, heeft kennelijk nooit een hunebed in het echt gezien. Vele onderzoekers zijn haar gevolgd. Inmiddels worden hunebedden ook gerestaureerd. Bij die van Borger gebeurde dat in 1992, o.a. met stalen pinnen ter voorkoming van instorten.


Het hunebedcentrum biedt nog veel meer informatie, o.a. over het aardewerk van de hunebedbouwers, de trechterbekers. Alleen de film, die een kwartier duurt, valt tegen. Beelden van bewegend ijs, waarmee de keien uit het noorden in onze noordelijke provincies kwamen, meer is het niet. Het zal zijn afgestemd op jonge kinderen die weinig aandacht kunnen opbrengen. Maar voor de rest is het hunebedcentrum zeker een bezoek waard. Voor ons is het een gepaste afsluiting van dit wandelweekend door het mooie en fascinerende Drenthe. In Borger nemen wij de bus naar Emmen. We hebben er in totaal een kleine veertig kilometer opzitten.



woensdag 1 augustus 2018

Onder de vuurtoren


Zoals ieder jaar sinds de eeuwwisseling zijn we twee weken onder de vuurtoren van Haamstede, op de Kop van Schouwen. Een van de allermooiste plekken. Dit jaar zeer warme weken. Elke dag zon. Nooit regen, nooit kou. De keerzijde: code rood, groot gevaar voor bosbranden, die zich gelukkig niet hebben voorgedaan. En, anders dan alle andere jaren: niet barbecueën.

Wat wel hetzelfde is als ieder jaar: de wandeling van de vuurtoren naar het strand via het Oude Vuur, op het strand rechtsaf naar de strandtent -de enige in de wijde omgeving, en daar weer van het strand af, het Vuurtorenpad op. Heerlijk om ’s ochtends of ’s avonds te doen. Dan is er bijna niemand op het strand. Echt druk, zoals wij kennen van Scheveningen, is het daar nooit. Het strand van Haamstede trekt vooral jonge gezinnen, en die gaan om een uur of vijf, zes, weer terug naar de huisjes en de tenten. Wij lopen altijd tegen de stroom in.

Nieuw dit jaar is die warme zee. ’s Ochtends nemen we vaak een duik. Behalve wij is er dan niemand. Soms zien we nog een hoofdje boven het zeewater uitsteken. Nog een zwemmer? Nee, een zeehond. Zo vaak en zo dichtbij hebben we die niet eerder gezien.

We wandelen een keer van de vuurtoren naar Renesse. Dit keer niet langs de route van het Nederlands Kustpad I, vroeger Deltapad, maar via het strand. Eerst over de Strandweg naar het Middenpad. Een bijzondere plek, want hier zijn in 1907 bij toeval de resten teruggevonden van de kapel Onze Lieve Vrouwe Op Zee, die hier in de duinen lag. Een gevaarlijke plek voor de scheepvaart, de Kop van Schouwen, waar niet voor niets later een vuurtoren is gebouwd. In de zeventiende eeuw zijn bij Domburg op Walcheren, een eiland zuidelijker, votiefstenen gevonden, gewijd aan de godin Nehalennia. Deze beschermgodin uit de tweede en derde eeuw werd vooral vereerd door zeelieden en handelaars. Een verband tussen de verering van deze godin en later die van Maria lijkt voor de hand te liggen. De naam Neeltje Jans van het werkeiland in de Oosterscheldekering is geïnspireerd door Nehalennia. Van die kapel in de duinen is niets meer te zien.

Het is helder weer, dus we zien de Maasvlakte in de verte liggen. Bij Haamstede is het strand heel rustig. In de buurt van Renesse is een stuk strand groen van het wier, met een grillige kustlijn. Het heeft wel wat van de Wadden.

Waar de strandtenten van Renesse beginnen, is het zo druk en vol dat we nauwelijks een plekje op het terras van een van de tenten kunnen bemachtigen. In zoveel drukte hebben we geen zin, dus we verlaten het strand en lopen naar het dorp, zoals we eerder hebben gelopen toen we het Kustpad bewandelden. We komen uit bij de kerk van Renesse, waar een monument is voor degenen die het leven lieten in de Tweede Wereldoorlog. 
De tekst op het monument:

‘1940 – 1945
Ter nagedachtenis van de burgers en militairen van Schouwen-Duiveland, die als gevolg van de Tweede Wereldoorlog waar ook ter wereld zijn omgekomen.’

Daaronder de fraaie regels van H.M. van Randwijk:

‘Een volk dat voor tirannen zwicht
zal meer dan lijf en goed verliezen.
Dan dooft het licht.’

Van Randwijk was een gereformeerde verzetsstrijder en een van de oprichters en later hoofdredacteur van Vrij Nederland. Zijn regels blijven actueel.

Via de overvolle dorpskern van Renesse lopen we terug naar de weldadige rust van Haamstede. Van daar naar Nieuw Haamstede, het gebied rond de vuurtoren.

De vuurtoren wordt dit jaar opgeknapt. In de weken dat wij er zijn wordt hij in de steigers gezet. Elke dag verder. In het begin zie  je de steigers alleen als je ernaast staat. Als wij vertrekken reiken de steigers vrijwel tot aan de top, waar het licht is. De gespecialiseerde steigerbouwers vertellen dat hun volgende project de witte vuurtoren van Schiermonnikoog is. Beide vuurtorens zullen er binnenkort dus weer in volle glorie bij staan.

In de tweede week maken we een stadswandeling door Middelburg. Een prachtige oude stad met een fraai, Vlaams aandoend centrum. Op verschillende muren komen we gedichten tegen. Op de wit gekalkte gevel van een huis staat deze, van de Zeeuwse dichter Johanna Kruit:

‘De zee

De zachte, de zoete, de zoute zee.
Zachtmoedige, zekere, zilveren zee.

De zwiepende, zwoegende, zwoele zee.
De zeegaande, zilte en zoele zee.

De zeezieke zee en de zeldzame zee.
De zeesterrenzee en de zeilende zee.

De zalige, zappende zedige zee.
Zeegroene zingende zeepaardjeszee.
De zinkende, zuchtende zilvertandzee.
De zwemmende, zwevende, zuigende zee.

De zwepende, zwervende, zwalpende zee.
De zwaaiende, zwierige, zompige zee.

De zoemende, zondige, zotte zee.
Met het wiegende, wassende water.’